Veldslag in een kathedraal
Gepubliceerd in Entomologische Berichten, nr. 82 (3), 2022.
Entomologie is oorlog voeren. Mijn insectenverzameling was een strijdperk met elk jaar nieuwe slachtoffers – wie had gedacht dat insecten twee keer konden sterven. Een hommel met doorboord borststuk. Een graafwesp met uitgeholde kop. Een bergje stof onder een afgevreten zandbij. Het zijn de wapenfeiten van de aartsvijand van mijn collectie: de museumkever.
Mevrouw museumkever staat die dag vroeg op. Het is een warme zomerdag en er hangt een vleugje hoop in de lucht. De geur van opgespelde beestjes. Ze schuifelt over het glas van de insectenlade. Onder haar voeten strekt de lade zich als een nevelige kathedraal uit, de insectenspelden als zuilen in rijen gerangschikt. Hun schaduwen spinnen een web over de vloer. Ze legt haar eitje in een kier aan de rand van het glas.
Foto: Stijn Schreven.
Na dertien dagen kruipt uit het ei een kleine larf. De larf heeft trek. Hij wurmt zich door de kier langs het glas naar beneden en voelt zijn bewegingen echoën in de kathedraal. In de onhandigheid van zijn eerste stapjes struikelt hij en valt de diepte in. De landing is verrassend zacht. Hij schuifelt over de schuimvloer. Boven hem torenen de zuilen uit. Plots komt in de muffe lucht een geurtje voorbij waar hij harder van gaat kruipen: voedsel. Hij stopt bij een zuil die een grote schaduw op hem werpt, strekt zijn pootjes en begint te klimmen. Na een tijdje wordt de weg naar boven versperd, het naametiket staat als een muur tussen de larf en zijn prooi. Met veel moeite manoeuvreert hij zich naar de bovenkant. De klim gaat door maar opnieuw blokkeert een muur de weg. Het vindplaatsetiket ditmaal. Afgepeigerd komt de larf ook hier bovenop. Met zijn laatste krachten trekt hij zich op naar de grote schaduw boven hem, zijn lotsbestemming.
De volgende dag is de kathedraal stil als altijd. Stof zweeft vredig in de lucht, vrijwel roerloos. De tijd is hier bevroren. Aan een speld in de zuilengalerij is een grote hommel geprikt, als een icoon op een voetstuk. Een straaltje licht onthult op haar schouder een kleine larf. Hij knaagt kalmpjes door het chitine heen en sabbelt op de vliegspieren daaronder. Stof dwarrelt op zijn haartjes neer. Dieper en dieper graaft hij zijn pootjes en kaken in het hommelkarkas. Tot hij uiteindelijk verdwijnt en alleen een gaatje achterlaat waar hij naar binnen is gekropen.
“Een zacht geknisper tikt door de kathedraal.”
De tijd verstrijkt. Een zacht geknisper tikt door de kathedraal. De hommel staat nog even fier op haar speld, zij het met een gat in haar schouder. Het geknisper gaat over in geschraap. Het wordt luider en luider. Dan barst het pantser van de hommel. Brokstukken en haren slingeren in het rond. Het stof wervelt ritmisch tussen de onbewogen zuilen door. In de krater vreet de larve verder. Hij verpulvert het droge vlees, versnippert het pantser. De kathedraal knarst. De larve schrokt om zich heen. Laag voor laag gulpt hij naar binnen. Puin en brokstukken vallen op het etiket en de vloer. Een stekelige poot breekt af en stort naar beneden. Een tweede volgt kort daarna. De larve kruipt uit het borststuk en klimt op de rug. Met een zwaai stort hij zich op de kop van het karkas. Hij is ontwaakt. De tand des tijds.