Mag de kettingzaag alsjeblieft aan?
Gepubliceerd in Entomologische Berichten, nr. 77 (4), 2017.
Als afgestudeerd bioloog verlang ik regelmatig terug naar mijn stage in Borneo, vijf jaar geleden. Tot mijn knieën in het veenmoerasbos, als een soort Alfred Russell Wallace tussen de orang-oetans, maar dan zonder ze bij bosjes uit de bomen te schieten. En wat is er dan dichterbij dan een middagje Burgers’ Bush! Je hebt er geen vliegreis of vaccinaties voor nodig. Het was alweer even geleden dat ik er was geweest, en dit was de eerste keer dat ik erheen ging na mijn studie en met ruim de tijd om alles gebiologeerd te aanschouwen en zo nodig academisch te overpeinzen.
Ik had dus wat verwachtingen toen ik, na de zwartvoetpinguïns en bejaarde olifanten, met geföhnde bril de Bush binnentrad. Het ging me erom even dat tropengevoel weer te ervaren: druipend zweet, bomen die ruisten en kraakten door de wind, de regen en de dieren in hun kruinen. In de Bush kwam het ruisen van de waterval die ik passeerde na de entree door de zwembadflappen. De begroeiing zag er weelderig uit en vogels lieten zich veelvuldig zien. Er begon zelfs een kikker luidruchtig te kwaken. De bomen ritselden hier en daar en de vogels vulden de vochtige lucht met een scala aan roepjes en kreten. Maar toch, er ontbrak iets.
Foto: Stijn Schreven/ OuTrop.
Ik zocht mijn lunch uit bij het restaurant en betrok een tafel dichtbij de rand van het bos. Een kroonduif bedelde elegant tussen de parasols door. Ik was halverwege mijn pitabroodje met kip toen ik bezoek kreeg. Een patrouille had mijn tafel ontdekt en inspecteerde nu nauwkeurig de gemorste saus. Mieren, wellicht de exoot Technomyrmex vitiensis. Die zag ik ook tijdens mijn stage. Er waren natuurlijk veel meer insecten op Borneo die grotendeels ontbraken in deze dierentuinkas. De vlinders, wespen, termieten, kevers. Ik verwacht ook niet dat een dierentuin die diversiteit probeert te bereiken. Maar er ontbrak ook iets aan de beleving hier.
Ik dacht terug aan Borneo, het Setia Alam-onderzoeksstation aan de rand van het Sabangau-veenmoerasbos in Centraal-Kalimantan. Het bos daar maakte altijd kabaal, nooit was het stil. Zelfs midden in de nacht werd je ritmisch in slaap gesust door het zachte ‘hoep’ van een paar vogels in de verte. ’s Ochtends werd je gewekt met het melodische duet van een familie gibbons. Daarna volgden meer vogels. Maar wat de dag domineerde waren de dieren die het oerwoud lieten gonzen, die de ‘z’ in verzengende hitte waren, die zelden te zien waren maar altijd te horen: de cicaden. In Borneo verbaasde ik me regelmatig over het loeiharde en elektrische oeuvre van deze dieren. Eén soort heeft een grillige zang die me de eerste keer flink liet schrikken omdat het werkelijk leek alsof iemand vlakbij fanatiek met een kettingzaag in de weer was, midden in het bos. In Nederland brengt zo zelfs de op zaterdag klussende buurman met schuurmachine of heggentrimmer me weer even terug in dat dampende regenwoud.
“Het bos maakte altijd kabaal, nooit was het stil.”
De Bush doet haar bezoekers duidelijk te kort. Met het concept van ecodisplays wil het de bezoeker het leefgebied van de dieren zo natuurlijk mogelijk laten beleven. Wat is dan een regenwoud zonder cicaden? Wat zou het geweldig zijn om de Bush binnen te lopen en akoestisch overrompeld te worden, zoals het hoort. Bezoekers zouden spontaan jeuk krijgen, het terras zou geen zwoel rustoord meer zijn, maar een plek waar men snel wat naar binnen schuift, angstvallig de ontblote schouders checkend en op elke hap die naar binnen gaat een groot, knisperend insect verwachtend.
Nu preek ik natuurlijk voor eigen parochie: ik hoef entomologen niet te overtuigen dat cicaden in een regenwoud horen. Laat ik daarom deze column naar de dierentuin sturen. Ik verwacht niet direct trossen cicaden in de boomtoppen, maar één herriedag per jaar, met cicaden op de speakers in de Bush, zou een mooi begin zijn. Dan kom ik graag nog een keer langs voor het échte tropengevoel.